Praktijkvoorbeeld 3: Remedial teaching Nederlands (basisonderwijs)
Aanleiding
Deze leraar heeft ongeveer tien jaar in het primair onderwijs voor de klas gestaan. Sinds een aantal jaar werkt hij voor zichzelf als remedial teacher en geeft hij kinderen uit allerlei leerjaren en van allerlei niveaus uit het po bijles, voornamelijk op het gebied van taalonderwijs.
Bij individuele begeleiding zijn de aanpak en leerstof per leerling anders dan in de klas. De leraar maakt gebruik van allerlei middelen zoals tekstmateriaal, schriftelijk oefenmateriaal en soms ook educatieve software om leerlingen bij te spijkeren over een bepaald onderwerp. Veel educatieve software voldoet volgens de leraar niet aan zijn behoefte. Vaak is het moeilijk om binnen een programma naar een specifiek onderdeel te gaan, dat hij met een leerling wil behandelen. Soms vindt hij de uitleg van software te uitgebreid in verhouding met het leerrendement.
De leraar besloot daarom zelf digitaal leermateriaal te maken dat precies paste bij de behoefte van individuele leerlingen, of waarin de leerlijn tot op een bepaald niveau was uitgesplitst, zodat hij een specifieke vaardigheid of kennis beter kon laten trainen. Daarnaast vond hij dat digitaal leermateriaal voor leerlingen leuk is om mee te werken, vooral ook ter afwisseling.
Ontwerp
De leraar wilde vooral aanvullend oefenmateriaal maken over leerstof waarmee leerlingen vaak moeite hadden. Het moest instructiemateriaal zijn, met oefeningen om woorden en vaardigheden te oefenen. De leraar kende de leerlijnen van het taalonderwijs in het po. Door deze globaal op papier te zetten en te verdelen in kleinere deelstappen kreeg hij een overzicht van alle te behandelen leerstof en kon hij de inhoud van het digitale leermateriaal bepalen.
De leraar verwachtte dat hij zijn doel kon bereiken met de auteurstools Hot Potatoes en Jclic. Deze tools zijn vooral bruikbaar voor allerlei oefeningen en niet zozeer om informatie en instructie aan te bieden.
Volgens de leraar is een belangrijke kracht van digitaal leermateriaal dat er veel verschillende soorten opdrachten en oefeningen te maken zijn rondom een bepaald onderwerp. Je kunt open invulopdrachten gebruiken om bepaalde woorden in te laten vullen en opdrachten waarbij leerlingen dezelfde woorden koppelen aan een plaatje.
Ontwikkeling
Toen de leraar besloot om voor bepaalde stof digitaal leermateriaal te maken, werkte hij de opdracht eerst uit in een Word- of Exceldocument. Daarin beschreef hij bijvoorbeeld waarvoor de oefening specifiek was, welke woorden er allemaal in voor moesten komen en welke opdrachtvormen in Hot Potatoes en Jclic - de leraar noemde ze 'werkvormen' - hij daarvoor wilde gebruiken. Dit alles werkte hij uit in een schema.
Afbeelding 1 laat een uitwerking ('didactisch schema') zien voor een oefening ter voorbereiding op het gebruik van eer/eur/oor in zogenaamde tweelingwoorden. De leraar maakte een lijst van te gebruiken woorden en gaf in het schema aan in welke opdrachtvormen hij deze wilde toepassen. Zo was voor hem duidelijk wat hij ging maken.
In het schema is ook te zien dat de leraar koos voor een bepaalde opbouw in werkvormen voor dit specifieke onderwerp. Het kiezen van de werkvormen is een bewuste keuze die afhangt van wat er in de oefening wordt. Standaard maakte hij in de tool - voor deze specifieke oefening gebruikte hij Jclic - een overzicht van alle te gebruiken woorden. Daarna doorliep hij in deze oefening alle werkvormen die in het schema staan van links naar rechts. Het leermateriaal eindigde met een dictee. Per opdrachtvorm zag hij welke woorden hij daarbij wilde gebruiken. Zo zorgde hij voor voldoende variatie in woorden en wist hij zeker dat hij uiteindelijk alles ook gebruikt had.
Op afbeelding 2 is een voorbeeld te zien van de opdrachtvorm waarin woorden met plaatjes worden verbonden. De leerling selecteert een plaatje met de muis en sleept deze naar het betreffende woord. Als dit goed is gedaan verdwijnen het plaatje en het woord van het scherm. Naast het koppelen van plaatjes met woorden is er ook de opdrachtvorm waarbij de leerling woorden koppelt met tekstuele uitleg.
In een latere opdrachtvorm moet de leerling zelf iets invullen in een zin (afbeelding 3). De leerling ziet bij alle opdrachten of hij het goed doet of niet. Vult hij een fout woord in, dan kleurt dit automatisch rood, zoals in onderstaand voorbeeld is te zien.
Bij al het andere leermateriaal dat deze leraar heeft gemaakt hanteerde hij dezelfde werkwijze als hierboven geschetst. De behoefte aan leermateriaal werd bepaald door wat zijn leerlingen nodig hadden, en dit werkte hij eerst uit in een didactisch schema. Dit was zijn leidraad bij het ontwikkelen van het digitaal materiaal.
Implementatie en evaluatie
De leraar gebruikt het leermateriaal als aanvulling op al het andere materiaal dat hij heeft. Afwisselen met verschillende manieren van werken en soorten oefeningen is volgens hem erg belangrijk. Hij merkt dat leerlingen graag met digitaal leermateriaal werken, maar uitsluitend digitaal leermateriaal gebruiken is volgens hem niet wenselijk.
Gebruik van een ELO zou voor deze leraar betekenen dat hij automatisch zou kunnen vaststellen hoe de leerlingen het leermateriaal hebben doorlopen. Omdat deze leraar zijn leerlingen alleen individueel begeleidt en meestal aanwezig is als zij het leermateriaal doorlopen, ziet hij direct hoe de leerling het heeft gedaan en waar knelpunten zitten. Een ELO heeft voor hem weinig meerwaarde
Deze leraar stelt al het materiaal dat hij heeft gemaakt beschikbaar voor anderen om te gebruiken. Het makkelijk kunnen delen van leermateriaal ziet hij als een belangrijk voordeel van het werken met digitaal leermateriaal. Het wiel hoeft niet steeds opnieuw uitgevonden te worden. Daarnaast geef je anderen zo ook de mogelijkheid om feedback te geven op je materiaal waardoor je het kunt verbeteren. Als het materiaal binnen de grenzen van je eigen klas blijft is dat veel lastiger.
Link:
http://www.leestrainer.nl/Leerlijn%20werkwoorden/
Bronvermelding
Jeroen Rouwendaal (Citotrainer Nederland, Krommenie)
Terug naar Praktijkvoorbeelden
Deze leraar heeft ongeveer tien jaar in het primair onderwijs voor de klas gestaan. Sinds een aantal jaar werkt hij voor zichzelf als remedial teacher en geeft hij kinderen uit allerlei leerjaren en van allerlei niveaus uit het po bijles, voornamelijk op het gebied van taalonderwijs.
Bij individuele begeleiding zijn de aanpak en leerstof per leerling anders dan in de klas. De leraar maakt gebruik van allerlei middelen zoals tekstmateriaal, schriftelijk oefenmateriaal en soms ook educatieve software om leerlingen bij te spijkeren over een bepaald onderwerp. Veel educatieve software voldoet volgens de leraar niet aan zijn behoefte. Vaak is het moeilijk om binnen een programma naar een specifiek onderdeel te gaan, dat hij met een leerling wil behandelen. Soms vindt hij de uitleg van software te uitgebreid in verhouding met het leerrendement.
De leraar besloot daarom zelf digitaal leermateriaal te maken dat precies paste bij de behoefte van individuele leerlingen, of waarin de leerlijn tot op een bepaald niveau was uitgesplitst, zodat hij een specifieke vaardigheid of kennis beter kon laten trainen. Daarnaast vond hij dat digitaal leermateriaal voor leerlingen leuk is om mee te werken, vooral ook ter afwisseling.
Ontwerp
De leraar wilde vooral aanvullend oefenmateriaal maken over leerstof waarmee leerlingen vaak moeite hadden. Het moest instructiemateriaal zijn, met oefeningen om woorden en vaardigheden te oefenen. De leraar kende de leerlijnen van het taalonderwijs in het po. Door deze globaal op papier te zetten en te verdelen in kleinere deelstappen kreeg hij een overzicht van alle te behandelen leerstof en kon hij de inhoud van het digitale leermateriaal bepalen.
De leraar verwachtte dat hij zijn doel kon bereiken met de auteurstools Hot Potatoes en Jclic. Deze tools zijn vooral bruikbaar voor allerlei oefeningen en niet zozeer om informatie en instructie aan te bieden.
Volgens de leraar is een belangrijke kracht van digitaal leermateriaal dat er veel verschillende soorten opdrachten en oefeningen te maken zijn rondom een bepaald onderwerp. Je kunt open invulopdrachten gebruiken om bepaalde woorden in te laten vullen en opdrachten waarbij leerlingen dezelfde woorden koppelen aan een plaatje.
Ontwikkeling
Toen de leraar besloot om voor bepaalde stof digitaal leermateriaal te maken, werkte hij de opdracht eerst uit in een Word- of Exceldocument. Daarin beschreef hij bijvoorbeeld waarvoor de oefening specifiek was, welke woorden er allemaal in voor moesten komen en welke opdrachtvormen in Hot Potatoes en Jclic - de leraar noemde ze 'werkvormen' - hij daarvoor wilde gebruiken. Dit alles werkte hij uit in een schema.
Afbeelding1: Didactisch schema.
-
Afbeelding 1 laat een uitwerking ('didactisch schema') zien voor een oefening ter voorbereiding op het gebruik van eer/eur/oor in zogenaamde tweelingwoorden. De leraar maakte een lijst van te gebruiken woorden en gaf in het schema aan in welke opdrachtvormen hij deze wilde toepassen. Zo was voor hem duidelijk wat hij ging maken.
In het schema is ook te zien dat de leraar koos voor een bepaalde opbouw in werkvormen voor dit specifieke onderwerp. Het kiezen van de werkvormen is een bewuste keuze die afhangt van wat er in de oefening wordt. Standaard maakte hij in de tool - voor deze specifieke oefening gebruikte hij Jclic - een overzicht van alle te gebruiken woorden. Daarna doorliep hij in deze oefening alle werkvormen die in het schema staan van links naar rechts. Het leermateriaal eindigde met een dictee. Per opdrachtvorm zag hij welke woorden hij daarbij wilde gebruiken. Zo zorgde hij voor voldoende variatie in woorden en wist hij zeker dat hij uiteindelijk alles ook gebruikt had.
Afbeelding 2: Door slepen koppelen van woorden en plaatjes.
-
Op afbeelding 2 is een voorbeeld te zien van de opdrachtvorm waarin woorden met plaatjes worden verbonden. De leerling selecteert een plaatje met de muis en sleept deze naar het betreffende woord. Als dit goed is gedaan verdwijnen het plaatje en het woord van het scherm. Naast het koppelen van plaatjes met woorden is er ook de opdrachtvorm waarbij de leerling woorden koppelt met tekstuele uitleg.
Afbeelding 3: Woorden kiezen en invullen.
-
In een latere opdrachtvorm moet de leerling zelf iets invullen in een zin (afbeelding 3). De leerling ziet bij alle opdrachten of hij het goed doet of niet. Vult hij een fout woord in, dan kleurt dit automatisch rood, zoals in onderstaand voorbeeld is te zien.
Bij al het andere leermateriaal dat deze leraar heeft gemaakt hanteerde hij dezelfde werkwijze als hierboven geschetst. De behoefte aan leermateriaal werd bepaald door wat zijn leerlingen nodig hadden, en dit werkte hij eerst uit in een didactisch schema. Dit was zijn leidraad bij het ontwikkelen van het digitaal materiaal.
Implementatie en evaluatie
De leraar gebruikt het leermateriaal als aanvulling op al het andere materiaal dat hij heeft. Afwisselen met verschillende manieren van werken en soorten oefeningen is volgens hem erg belangrijk. Hij merkt dat leerlingen graag met digitaal leermateriaal werken, maar uitsluitend digitaal leermateriaal gebruiken is volgens hem niet wenselijk.
Gebruik van een ELO zou voor deze leraar betekenen dat hij automatisch zou kunnen vaststellen hoe de leerlingen het leermateriaal hebben doorlopen. Omdat deze leraar zijn leerlingen alleen individueel begeleidt en meestal aanwezig is als zij het leermateriaal doorlopen, ziet hij direct hoe de leerling het heeft gedaan en waar knelpunten zitten. Een ELO heeft voor hem weinig meerwaarde
Deze leraar stelt al het materiaal dat hij heeft gemaakt beschikbaar voor anderen om te gebruiken. Het makkelijk kunnen delen van leermateriaal ziet hij als een belangrijk voordeel van het werken met digitaal leermateriaal. Het wiel hoeft niet steeds opnieuw uitgevonden te worden. Daarnaast geef je anderen zo ook de mogelijkheid om feedback te geven op je materiaal waardoor je het kunt verbeteren. Als het materiaal binnen de grenzen van je eigen klas blijft is dat veel lastiger.
Link:
http://www.leestrainer.nl/Leerlijn%20werkwoorden/
Bronvermelding
Jeroen Rouwendaal (Citotrainer Nederland, Krommenie)
Terug naar Praktijkvoorbeelden